top of page

Onrechtmatige doorzoeking voertuig & verbod op willekeur bij politiecontrole

  • brechtp
  • 10 feb
  • 2 minuten om te lezen

Recent werd één van onze cliënten vrijgesproken nadat (zelfs) de Procureur-Generaal onze schriftelijk uiteengezette redenering volgde en het Hof van Beroep bijgevolg oordeelde dat de doorzoeking van een geviseerd voertuig onwettig was.


In eerste aanleg volgde nog een strenge veroordeling wegens het bezit van een grote som cashgeld in dat geïntercepteerde voertuig.

 

Volgens artikel 29 van de Wet op het politieambt mag een voertuig slechts worden doorzocht wanneer er concrete en objectieve elementen aanwezig zijn die een redelijk vermoeden doen ontstaan dat het voertuig (wederrechtelijk) wordt gebruikt voor één van de wettelijk limitatief opgesomde doeleinden.

 

In dit dossier werd een voertuig onderschept en onmiddellijk grondig doorzocht op de Brusselse Ring ter hoogte van Sterrenbeek. De enige aanleiding was een vage radiofonische melding van de wegpolitie Limburg over een gelijkaardig voertuig dat eerder die ochtend in Diest zou zijn gevlucht. Die melding bevatte echter geen concrete identificatiegegevens.

 

Cruciaal was dat de onderschepping en de doorzoeking plaatsvonden slechts vijf minuten na die melding, een tijdspanne die geografisch onmogelijk te rijmen viel met de verplaatsing van Diest naar Sterrebeek. Hierdoor ontbrak elke redelijke link tussen de melding en de interceptie in het Brusselse. Bovendien bleek niet dat de wegpolitie vooraf bijkomende informatie had opgevraagd bij de Limburgse collega’s ter bevestiging.

 

Hoewel bij de doorzoeking een grote som geld werd aangetroffen, oordeelde het Hof dat deze vaststelling het initiële gebrek aan wettelijke grondslag niet kan herstellen. De doorzoeking vond plaats buiten de wettelijk toegelaten omstandigheden en was dus onrechtmatig.

 

Die onregelmatigheid tastte weliswaar niet de betrouwbaarheid van het bewijs op zich aan, maar vormde een kennelijke en ernstige miskenning van fundamentele rechten, waaronder het recht op privacy en het verbod op willekeur. Het volledig strafonderzoek was immers rechtsreeks gebouwd op deze eerste onwettige tussenkomst. Zonder die inbreuk zou het onderzoek nooit zijn gestart.

 

Het Hof benadrukte daarbij dat zelfs de ernst van de vermeende feiten geen rechtvaardiging kan vormen om dergelijke schendingen te negeren. Dat zou de wettelijke bescherming van burgers tegen willekeurige politiecontroles volledig uithollen.

 

Bij gebrek aan een andere passende compensatie besloot het Hof terecht tot de uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs, wat onvermijdelijk leidde tot een integrale vrijspraak.



 
 
 

Opmerkingen


bottom of page