top of page

Recent werd één van onze cliënten vrijgesproken nadat (zelfs) de Procureur-Generaal onze schriftelijk uiteengezette redenering volgde en het Hof van Beroep bijgevolg oordeelde dat de doorzoeking van een geviseerd voertuig onwettig was.


In eerste aanleg volgde nog een strenge veroordeling wegens het bezit van een grote som cashgeld in dat geïntercepteerde voertuig.

 

Volgens artikel 29 van de Wet op het politieambt mag een voertuig slechts worden doorzocht wanneer er concrete en objectieve elementen aanwezig zijn die een redelijk vermoeden doen ontstaan dat het voertuig (wederrechtelijk) wordt gebruikt voor één van de wettelijk limitatief opgesomde doeleinden.

 

In dit dossier werd een voertuig onderschept en onmiddellijk grondig doorzocht op de Brusselse Ring ter hoogte van Sterrenbeek. De enige aanleiding was een vage radiofonische melding van de wegpolitie Limburg over een gelijkaardig voertuig dat eerder die ochtend in Diest zou zijn gevlucht. Die melding bevatte echter geen concrete identificatiegegevens.

 

Cruciaal was dat de onderschepping en de doorzoeking plaatsvonden slechts vijf minuten na die melding, een tijdspanne die geografisch onmogelijk te rijmen viel met de verplaatsing van Diest naar Sterrebeek. Hierdoor ontbrak elke redelijke link tussen de melding en de interceptie in het Brusselse. Bovendien bleek niet dat de wegpolitie vooraf bijkomende informatie had opgevraagd bij de Limburgse collega’s ter bevestiging.

 

Hoewel bij de doorzoeking een grote som geld werd aangetroffen, oordeelde het Hof dat deze vaststelling het initiële gebrek aan wettelijke grondslag niet kan herstellen. De doorzoeking vond plaats buiten de wettelijk toegelaten omstandigheden en was dus onrechtmatig.

 

Die onregelmatigheid tastte weliswaar niet de betrouwbaarheid van het bewijs op zich aan, maar vormde een kennelijke en ernstige miskenning van fundamentele rechten, waaronder het recht op privacy en het verbod op willekeur. Het volledig strafonderzoek was immers rechtsreeks gebouwd op deze eerste onwettige tussenkomst. Zonder die inbreuk zou het onderzoek nooit zijn gestart.

 

Het Hof benadrukte daarbij dat zelfs de ernst van de vermeende feiten geen rechtvaardiging kan vormen om dergelijke schendingen te negeren. Dat zou de wettelijke bescherming van burgers tegen willekeurige politiecontroles volledig uithollen.

 

Bij gebrek aan een andere passende compensatie besloot het Hof terecht tot de uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs, wat onvermijdelijk leidde tot een integrale vrijspraak.



 
 


BP LEGAL werd op 8 december 2023 gecontacteerd door een cliënt dewelke verzeild was geraakt in een politieachtervolging.


Het bleek één van de langste politieachtervolgingen in ons land ooit met tal van vastgestelde overtredingen en wanbedrijven.


In samenwerking met de Hulpgevangenis te Leuven, VDAB en de welzijnswerkers slaagden we er na de arrestatie in om een concreet, allesomvattend reclasseringsplan op te stellen hetwelk de raadkamer te Leuven overtuigde om hem in vrijheid te stellen.


Iets meer dan 2 jaar later werd hij gedagvaard voor een resem tenlasteleggingen en tijdens een lange procesdag kwam elke gevarensituatie chronologisch aan bod. Tot slot konden we de bijzonder gunstige resultaten van dit reclasseringsplan en intensief traject voorleggen aan de correctionele rechtbank te Leuven, met vruchtbaar resultaat.


Cliënt krijgt nu ook van de Correctionele Rechtbank de kans zijn reclassering verder uit te werken in samenwerking met en onder toezicht van het Justitiehuis, dit in het kader van een straf met probatie-uitstel.


Bijzondere dank van ons kantoor aan SAAMO, VDAB en de vele welzijnswerkers in gevangenissen wiens inzet en daadkracht te vaak onderbelicht blijven in menselijke drama's als deze.


Daarnaast dank aan confrater Thomas Machtelinckx om de aansprakelijkheidsaspecten in dit dossier mee verder uit te diepen.


 
 


Recent werd één van onze cliënten gedagvaard voor het stellen van ‘voorbereidende handelingen met betrekking tot verdovende middelen of psychotrope stoffen’. Volgens het Openbaar Ministerie bestonden deze handelingen uit het recupereren van zogenaamd ‘plantagemateriaal’ uit een opslagruimte, met het oog op de verkoop ervan en/of het zelf aan te wenden in een nog op te zetten plantage.

 

Onze cliënt fungeerde echter louter als tussenpersoon waarbij het ontbrak aan een crimineel oogmerk. Om een vriend – tevens medebeklaagde – ter hulp te zijn, heeft hij een aantal personen aangesproken om te helpen bij het leegmaken van diens opslagplaats. Hij nam evenwel zelf geen deel aan het leegmaken, noch aan de verdeling of de verdere bestemming van het materiaal. Zijn rol bleef beperkt tot het in contact brengen van personen – niet meer, niet minder. Het was nadien dat diegenen die de opslagplaats leegmaakten het plan opvatten om een cannabisplantage op te zetten met het aangetroffen materiaal.

 

Ons kantoor benadrukte bij de verdediging van haar cliënt de invulling van het juridisch begrip ‘voorbereidende handelingen’ door onder andere rechtspraak van de correctionele rechtbank van Luik. Daaruit bleek ontegensprekelijk dat de geviseerde voorbereidende handelingen moeten worden uitgevoerd met de vooraf bestaande intentie om een strafbaar feit tot stand te laten komen dat betrekking heeft op ofwel de onwettige aanmaak, de verkoop, de levering van verdovende middelen, ofwel op het telen van planten waaruit deze verdovende substanties getrokken kunnen worden.

 

Het Openbaar Ministerie probeerde in dit dossier de loutere (eventuele) verkoop of intentie tot verkoop van het opgeslagen materiaal – enkel en alleen omdat het als ‘plantagemateriaal’ wordt omschreven – onder het begrip van strafbare voorbereidende handelingen te plaatsen. Deze kwalificatie houdt echter juridisch geen stand.

 

De verkoop van materiaal impliceert immers dat de verkoper afstand doet van deze goederen. Dit staat haaks op het vereiste opzet van de Drugswet, waarbij de wetgever net een actieve betrokkenheid vereist bij de voorbereiding van illegale teelt of productie. Een afstandshandeling, zoals verkoop, wijst niet op een intentie om zelf te telen of te produceren, maar net op het tegenovergestelde.

 

Het uitsluitend (willen) overdragen van dit materiaal in ruil voor een geldsom valt dan ook niet onder het materiële toepassingsgebied van de artikelen 2bis, 4 en 6, lid 1, artikel 2, 12°, 14°, en 18° en artikel 3 van de Drugwet.

 

De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen volgde deze redenering en stelde cliënt als enige volledig buiten zake.

 

Deze zaak toont duidelijk het belang aan van het zorgvuldig toekijken op een correcte invulling van juridische begrippen en het gevaar om handelingen die maar enigszins verdacht lijken onterecht onder het toepassingsgebied van een misdrijfomschrijving te brengen.

 
 
bottom of page